De Open Internet-slogans voorbij

Geschreven door Pieter Ballon, Eric Van Heesvelde op dinsdag 15 februari 2011

Om aanwezig te mogen zijn op de iPad moeten onze kranten en magazines 30% van hun inkomsten afstaan, abonneegegevens doorgeven, blote borsten weren en aan allerlei andere Amerikaanse stokpaardjes voldoen. Dringend ingrijpen, zo vragen de internetpioniers. We moeten enkel de vrije keuze tussen internetplatforms waarborgen, antwoordt minister Van Quickenborne. Hoe hoopgevend ook, tegelijk toont deze discussie hoe ver we nog staan van een voldragen consensus.

Veel van de gebruikte argumenten vallen onder de noemer: warm en koud blazen omdat je het zelf ook niet meer weet.

Van Quickenborne geeft opdracht een mededingingsonderzoek in te stellen over de toegang tot de iPad, maar laat vervolgens in zijn Vrije Tribune afdrukken dat er alternatieven genoeg zijn voor de ontevreden Apple-gebruiker. Oftewel: wie niet tevreden is met de iPad-restricties, moet maar een andere tablet PC kopen. Ook stelt hij in één en dezelfde opinie dat alle legale inhoud volledig moet toegankelijk zijn, en tegelijk dat het niet erg is als Apple die weigert beschikbaar te stellen. En ook de internetpioniers zijn niet steeds overtuigend in hun argumenten, bijvoorbeeld als ze hameren op de bevrijdende potentie van de kleine internetspelers, maar tegelijk de dominantie van YouTube en Facebook toeschrijven aan hypes van de mainstream-pers.

Als het gaat om de openheid van het internet missen we blijkbaar een nieuw referentiekader, en daaraan gekoppeld ook een nieuw regulerend kader.

Een dergelijk kader zou kunnen uitgaan van twee eenvoudige principes.
Allereerst dient men in te zien dat internetplatforms zoals Apple en Facebook functioneren volgens een eigen, afwijkende economische logica. Platforms brengen netwerken van dienstenaanbieders en consumenten tot stand, en de waarde die ik als gebruiker of aanbieder aan een platform hecht, vermeerdert steeds sterker naargelang er extra aanbieders en consumenten bijkomen. Het gevolg: dominante platforms profiteren van een sneeuwbaleffect. Daar kan, het optimisme van onze internetpioniers ten spijt, geen klein platform tegenop, tenzij het in een welomschreven niche functioneert.

Ook al heb ik als consument in theorie keuzevrijheid, er bestaan dus reële barrières voor consumenten om over te schakelen van het ene naar het andere platform. Simpelweg switchen, zoals minister Van Quickenborne suggereert, is vaak een illusie. Of anders gezegd: wat zou ik op myfriends.com gaan zoeken als al mijn vrienden op Facebook zitten?

Daarnaast moet men aanvaarden dat de nieuwe platformeconomie de oude sector-specifieke analyses overstijgt. Ik kan vandaag de dag voor mobiele applicaties terecht bij de platforms van IT-giganten (Apple), internetspelers (Google), telefoonfabrikanten (Nokia) en telecomoperatoren (France Telecom). De concurrentie laten spelen betekent ook: gelijke regels opleggen voor al deze platforms. Het gaat dus niet op om, zoals minister Van Quickenborne doet, stoer te doen tegen de telecomoperatoren en hen met ‘netwerk neutraliteit’ om de oren te slaan; en tegelijk het prima te vinden als Apple of Facebook wel discrimineren.

Met andere woorden, niet het ‘netwerk neutraliteit’-kader waar Van Quickenborne naar verwijst is nodig, wel een ‘platform neutraliteit’-kader.

Dit moet een aantal eisen omvatten die aan platforms kunnen opgelegd worden ongeacht de markt waarin ze opereren. De recente Digitale Agenda van de Europese Commissie biedt de nodige aanknopingspunten om de toegankelijkheid van platforms van naderbij te gaan bekijken. Uiteraard moeten we daarbij waken voor overregulering. De reële macht van het platform over de consument en over het dienstenaanbod moet het belangrijkste criterium zijn.

Het lijkt evident dat dergelijke aanpak enkel kan werken op Europese schaal. Het is veelzeggend dat minister Van Quickenborne antwoordt met een verwijzing naar de Chinese internetcensuur op de cri de coeur van de internetpioniers om de Europese privacy- en consumentenbescherming te doen toepassen op de Amerikaanse platforms. Dergelijk antwoord maakt een karikatuur van de terechte vraag om de regionale regulering te doen toepassen op het eigen grondgebied. In die zin was de recente iPad-brief van die andere bevoegde minister, Ingrid Lieten, aan de Europese Commissie wel een zinvolle demarche, ook al kan je ginnegappen over de brief die ze tegelijk aan Apple stuurde, en die wellicht nog steeds in het IN-bakje van Steve Jobs’ opvolger zal liggen.

Tenslotte: ook de internetpioniers zelf moeten niet bij de pakken neerzitten. Naast de regulatorische discussie bewijst het iPad-probleem van onze lokale pers eens te meer de nood aan samenwerking tussen onze lokale media-, telecom- en internet-spelers.

Wie bij voorbaat de handen ten hemel heft tegenover de Apple en Facebook-dominantie, laat elke kans op bloeiende lokale niche-platforms verloren gaan.

Pieter Ballon is senior researcher bij IBBT-SMIT en IBBT iLab.o, en professor aan de VUB. Eric Van Heesvelde is senior researcher bij IBBT-MICT, professor aan UGent en VUB, en oud-voorzitter van het BIPT.

 

Dit artikel gaat over , , , , , .

1 reactie

re: De Open Internet-slogans voorbij

Door André De Vleeschouwer 17/02/2011 (3 jaren geleden)

André De Vleeschouwer

Alle begrip voor deze stellingen, maar ik vind niet dat wij Apple, Facebook of om het even wie iets kunnen verwijten. Ten eerste gedragen zij zich economisch, ten tweede respecteren zij de wet en gewoontes van hun land. Hoe kan iemand daar tegen zijn ?

Wat we nodig hebben is diversiteit, keuzemogelijkheid. Ik moet kunnen gebruik maken van een faciliteit van mijn eigen keuze, en dit mag mij niet afsluiten van anderen. Vergelijk het met e-mail. Ik kies mijn e-mail provider, en toch kan ik om het even wie bereiken, of door eenieder bereikt worden. Dit houdt koppelingen in tussen providers.

Verder is er standaardisatie nodig, in plaats van gesloten modellen, zodat uitwisselbaarheid mogelijk is.

Verder is het ook nodig dat gegevensformaten (data dus) niet mogen afhangen van platform. De krant of een boek, of muziek moeten totaal overdraagbaar zijn naar platformen.

Maar, om concurrentie te hebben moeten er wel alternatieve spelers opstaan. Het is precies het gebrek daaraan, wat vandaag het probleem is. Je kan de huidige spelers toch niet verwijten dat ze de enigen zijn die initiatief nemen, of toch ?

Reageer

Velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

Blijf op de hoogte

Schrijf u in op onze nieuwsbrief.